Apollo Main Menu

Deskundigen kraken Johnson

apollo 11 crew x24 Juli 1969, Kritiek op maanrace met Russen De strijd om de maan.flag uk (2)

Vreemd genoeg, kon de NASA, die van president Eisenhower bevel had ontvangen niet langer aan een maanlanding te denken, volledig uitgewerkte plannen voorleggen, welke niet slechts uitwezen dat een maanlanding mogelijk was, maar ook dat een dergelijke landing het enige ruimteproject was, dat een kans bood de Russen vóór te komen.

Deze plannen noemden zelf 1967 en niet 1969 als het jaar van de landing, maar dit voorstel berustte niet zozeer op een technologische overtuiging, als op het feit dat 1967 de vijftigste verjaardag was van de Bolsevitische Revolutie en derhalve een jaar waarop de Russen hun ruimtevluchten zouden afstemmen. Wernher von Braun koos dit uiterst geschikte ogenblik om zich in een schrijven te richten tot vice-president Johnson. Hij schreef dat een landing op de maan in 1967 mogelijk was en deed plannen aan de hand om een dergelijke onderneming mogelijk te maken. Hierin bleek hij van mening te verschillen met de NASA, die beweerde dat de prioriteit voor het maanplan de NASA niet belet had een evenwichtig ruimteprogram voort te zetten. „Kies enige (hoe minder, hoe liever) van onze hoogste nationale prioriteit, en kies die elementen welke in aanmerking komen voor een onmiddellijke bijdrage tot dit doel. Doe zachtjes aan met alle andere elementen van ons nationaal ruimteprogramma". Na de NASA kwam het Pentagon. Bijna niemand schonk aandacht aan het ironische feit dat men voor een vreedzaam ruimteprogram de hulp inriep van dezelfde strijdkrachten waarmee de civiele ruimte-instantie zulke verbitterde gevechten had gevoerd. Het ging hier om een nationale noodtoestand. Ondanks het groeiend arsenaal van kernprojectielen leek het hier te gaan om het hart van de nationale veiligheid. Johnson gaf de Luchtmacht bevel opnieuw aandacht te besteden aan haar rijke verzameling van verworpen ruimteprojecten.

letter jf kennedy

Letter jf kennedy De brief, die president John F. Kennedy op 20 april 1961 verzond aan vice-president Lyndon B. Johnson, waarin hij opdracht gaf het Amerikaanse maan-onderzoek met kracht ter hand te nemen. Copyright The Sunday Times.

Magnaten

TENSLOTTE waren er de grote bedrijven, wier taak het zou moeten zijn de monsterachtige maanmachines te maken. Drie magnaten, Donald Cook, Frank Stanton en George Brown. respectievelijk de leiders van een groot elektriciteitsbedrijf, de Columbia Broadcasting System en een groot machinebedrijf, werden naar Washington ontboden. Ze hadden misschien weinig met de ruimte te maken, maar het waren „verantwoordelijke zakenleiders" en boezemvrienden van de „Moet ieder bedrijfsleider die Lyndon vice-president. „Op dit tijdstip van zijn carrière" verklaart Edward Welsh, Johnson niet kende wel op vakantie geweest zijn". En de zakelijke leiders hechtten hun warme goedkeuring aan het plan van de regering, onder leiding van Johnson, dat nu snel vaste vorm begon aan te nemen. Welsh zegt. ietwat zonderling, van dit trio. dat het beantwoordde aan Johnsons verlangen om „de reactie van het publiek" te toetsen, een onthullende aanwijzing van de interpretatie welke men in Washington in staat is te geven aan wat woorden kunnen betekenen. De eigenlijke publieke opinie is nooit gepeild (en onmiddellijk nadat de president zijn besluit bekend maakte, wees Gallup opinie-onderzoek uit dat 58 pet van de Amerikanen tegen dit besluit gekant waren). Nog opmerkelijker is dat men het bij alle kritieke besprekingen best meende te kunnen stellen zonder de wetenschappelijke opinies. Hiervoor bestond een eenvoudige reden. welke door Welsh werd samengevat in de minachtende opmerking: de wetenschapsmannen enige invloed hadden gehad, zou het ruimteprogram slechts een derde omvat hebben van het huidige". Johnson begreep heel goed dat slechts weinig wetenschapsmannen hun steun zouden willen verlenen aan het program dat hij bezig was te ontwikkelen. Want velen van het begonnen de maan te zien opkomen en het stond hun niet aan. Hun bezwaren golden niet de ruimte als zodanig, maar zij voorzagen een program voor een bemande maanvlucht, dat op zichzelf weinig wetenschappelijke verdiensten bezat, maar dat een bespottelijk negatieve invloed zou hebben op de regeringsuitgaven voor meer nuttige wetenschappelijke projecten. De oudste van de wetenschapsmannen in regeringsdienst. James Killian, had Washington verlaten met een hartstochtelijke veroordeling van het project mensen in de ruimte te brengen: „Vele bedachtzame burgers zijn ervan overtuigd dat de werkelijk opwindende ontdekkingen in de ruimte beter kunnen worden verricht door instrumenten dan door mensen. Slechts evenwichtige ondernemingen op het terrein van de natuurwetenschappen en de technologie kunnen een overtuigende indruk wekken van kracht. Wij behoren ons te houden aan onze eigen objecten in de ruimtewetenschap en ze niet voor ons te laten bepalen door de Russen".

Onwaarschijnlijk

DICHTER BIJ HUIS stond Kennedy's eigen meest intieme wetenschappelijke adviseur Jerome Wiesner van het Massachusetts institute of Technology. zeer kritisch tegenover de gedetailleerde maanplannen van NASA. Zelfs nog voordat Kennedy formeel geïnstalleerd was in het Witte Huis. had Wiesner op verzoek van de president een comité bijeengeroepen om advies uit te brengen over" de ruimteplannen. Dit comité kwam tot de conclusie dat het lopende programma voor het brengen van mensen in de ruimte niet deugde en dat het zeer onwaarschijnlijk was dat deze plannen er toe zouden leiden een man in da ruimte te brengen. Wiesner die nu terug is in Massachusetts, beschrijft nu zijn rapport als „een poging mij te distantiëren van de ruimtewedloop. Het was duidelijk dat wij de wedren niet zouden winnen, en ik vroeg mij af of het de moeite waard was mee te doen aan de wedstrijd. Gezien de vereiste middelen en de arbeidskrachten, meenden wij ontkennend te moeten antwoorden." Wiesners invloed op de later volgende gebeurtenissen was klein, maar niet onbetekenend. Het werpt een fel realistisch licht op het maanprogram. „Ik heb tegen Kennedy gezegd", aldus Wiesner. „dat hij er tenminste van af kon zien om ooit in het openbaar over de maanlanding te spreken als een wetenschappelijke onderneming. En. nadat hij zijn beslissing had aangekondigd. heeft hij dit inderdaad nooit gedaan": WORDT VERVOLGD.

Source: De Tijd, 24-07-1969.
Dit zijn naar alle waarschijnlijkheid de artikelen waar Bill Kaysing vele malen aan refereerde, als kritische Nederlandse nieuwsartikel, tijdens de Apollo 11 maanlanding.

24 07 1969 deskundige kraken Johnson

You like this article, share it!